A onça tem fome
Een oude Fiat Mille stopt langs de weg. "A onça tem fome, a onça tem fome! Não vai lá!”. De jaguar heeft honger! De jaguar heeft honger! Ga daar niet heen!. Dat schreeuwt de bestuurder me toe als hij uitstapt. Hij is een oude man met vieze kleding, een enorme grijze baard en een cowboy hoed. Breed lacht hij me toe. Ga daar niet heen! schreeuwt hij verder in het Portuguees.
Ik ben op de eerste meters van de Transpantanal Highway in west Brazilië. Na twee nachtbussen vanuit La Paz in Bolivia liep ik twee dagen hiervoor de grens met Brazilië over en liftte hierheen. Mijn volgende bestemming is Rio de Janeiro, de kuststad waar ik een paar maanden rust zal nemen, een kamer zal zoeken. Maar daarvoor kom ik nog door deze regio van uitgestrekt Brazilië: Mato Grosso, een staat in het verre en onderbelichte westen. Hier geen stranden en regenwoud, weinig samba en caipirinha, maar vooral bekend om de enorme vee-ranches én om de Pantanal. Dat is het grootste moeras ter wereld. Een internet-artikel omschrijft zowel de afgelegenheid als de intensiviteit van landbouw in een prachtig gebied:
It takes four flights from Europe or North America to get to Alta Floresta, and flying over Mato Grosso is a sobering experience – the massive forest loss due to agricultural expansion is impossible to miss. Mato Grosso has the highest historical deforestation rate among the Amazonian States in Brazil and has lost about 40% of its forest cover in the past couple of decades. The primary driver of the forest destruction is cattle-ranching and with 30 million heads of cattle in Mato Grosso there are 10 times more cows than people in the state.

Vanuit Bolivia ligt nog vóór Cuiába, de hoofdstad van de staat, een bescherm natuurgebied met een groot deel van dat moeras er in. Daardoorheen loopt de Transpantanal Highway, een stuk weg dwars door het gebied, met eindeloze houten bruggen door het natte gebied, aan de zijkanten de alligators en caipibaras openlijk in het zicht en een van de beste plekken om jaguars in het wild te zien. Althans, die reputatie heeft het in mijn hoofd. Uiteindelijk is de weg vooral gebouwd om ranches met de stad te verbinden en is daarmee een toeristische bestemming geworden. Langs de weg zijn dure guesthouses en een 4x4 huren voor een tour is duur. Dus.. geen betere optie dan te liften met mijn hangmat in mijn rugtas. En zo beland ik langs die weg, tot die Fiat Mille stopt en de bestuurder uitstapt.
De Transpantanal begint in Poconé, een slaperig dorpje een halfuur rijden van de normale snelweg vanuit Cuiabá en Bolivia. Na een paar lange dagen was ik hier eindelijk, het is het einde van de middag, de zon gaat hier rond half 6 onder. Onder het bord waar de weg begint maak ik een zelf-ontspanner foto, als bewijs dat ik eindelijk aan deze weg begin waar ik al zo lang naar uit kijk.

Ik loop een stukje en vind een klein winkeltje langs de weg, twee mannetjes zitten op een plastic stoeltje samen door een A4 aantekeningenboek te kijken, misschien doen ze de boekhouding. Er rijden hier amper auto’s langs, misschien een per kwartier - dus ik bereid me voor met een blikje cola en ‘de meest Braziliaanse sigaretten die jullie hebben'. Ik vertel dat ik ‘carona' aan het doen ben naar het einde van de Transpantaneira. Succes, lachen ze en ik krijg ook een plastic stoel die ik vlak naast de weg zet, precies met mijn benen in de schaduw en mijn hoofd nog in de ondergaande zon. Het wachten begint.
Na minstens een uur - en heel vaak de valse hoop die gepaard gaat met liften in kleine dorpjes: auto’s en motortjes die alleen even langs de buren rijden en vlak voor mij naar rechts afslaan, terwijl ik nét besloot op te staan en mijn duim op te steken - besluit ik een stuk langs de weg te lopen, in de richting van een los gebouw, een oude kerk, die ik op mijn kaart zie staan. Daar kan ik dan misschien rustig op de veranda mijn hangmat uithangen voor de nacht, de zon begint steeds verder onder te gaan. Na al die maanden liften heb ik een routine gevonden in zwerven, learned the hard way. Minstens een uur voor het donker is zorg ik dat ik op zoek ben naar een slaapplek, dat ik genoeg water heb en dat ik wat heb om te koken. Slaapplekken zijn moeilijk, mensen zijn de grootste onvoorspelbare factor in een (tijdelijk) dakloos bestaan. Maar door precies aan te komen als het bijna donker is verklein ik de kans op problemen, niemand gaat op pad zonder lamp. En in het donker is iedereen net zo bang van een onbekend lichtje als ik dat ben. En kan ik door mijn lamp uit te zetten onvindbaar worden terwijl ik hun every movement kan volgen.
Met dat in mijn achterhoofd loop ik langs de weg en steek, er vandaag al niet meer in gelovend, mijn duim uit naar een langsrijdende auto. En zoals al vaker gebleken, de auto waarvan ik het minst verwacht stopt. De bestuurder stapt uit en de titel van dit verhaal is wat hij het meest tegen me zegt, bijna huilend zegt hij het. Nao vai la doctor! A onca tem fome! A onca tem fome! Loop niet verder! De jaguar wacht daar op je en hij heeft honger.
Na veel liften in koude en uitstrekte gebieden.. ben ik te laks geworden mbt roofdieren? Ik lach om de oude man, maar hoor hem uit. Hij parkeert zijn auto verderop en gaat zitten bij de bar, het laatste gebruikte gebouw langs de weg. Pooltafel buiten, een plastic tafel en twee plastic stoelen, de veranda roze geverfd.
“Ga niet met carona! Het wordt donker! De jaguar heeft honger! Daarbuiten woont hij!” “Alsjeblieft ga morgen! Je kan bij mij slapen! Hij heeft honger!”
Ik ben nog set upon mijn hangmat bij de kerk, maar ik begin te twijfelen. Ik besluit naast de bar nog even te gaan liften en als het niet lukt zal ik vragen of ik echt bij hem kan slapen. Ik krijg Fanta in een plastic bekertje, en chips uit de zak. Dan geef ik het liften maar op. We zijn met z’n vijven - twee buurjongens van de bar, de eigenaar, de oude man en ik. Ik vraag hoe de man heet “Bin Laden!”, door z’n baard. Hij drinkt cachaca, betaald uit een plastic boterhamzakje met cash. Hij komt hier ‘soms’, werkt in een goudmijn als heeeeel groot (hij gebaart met zijn handen) gatgraver met een graafmachine. Zijn kleren zijn vies, maar hij kijkt blij uit zijn ogen. Alcohol is zijn vriend. De anderen niet, die tolereren hem enkel omdat hij daar geld uitgeeft. Maar toch, ze kennen hem goed. Hij drinkt steeds meer, cachaca en bier. Elke vijf minuten schreeuwt hij het uit “A onca tem Fome!” En we lachen. Ook ik switch van Fanta naar bier.
Ondertussen speel ik twee potjes pool met de bareigenaar, hij wint met gemak. Bin Laden is onze toeschouwer. Naast de tafel, ook buiten, staat een digitale jukebox, met oude Braziliaanse muziek. Bin Laden klampt de eigenaar vast: “Por favor.. quero chorar”, Alsjeblieft.. Ik wil huilen.. En de eigenaar klikt eindeloos door alle liedjes heen en zet er dan een aan. Bin Laden zingt mee, dronken, de tranen stromen over zijn wangen. Ik voel me als een indringer in zijn dronkenschap.
Denk je echt dat ik bij hem kan slapen? Is hij oké? Vraag ik aan de bar eigenaar. Ja, “não tem problema”, hij vertelt me dat hij in het centrum woont, een goede gast van binnen. En zo, nadat Bin Laden nog drie keer hetzelfde liedje aanvraagt en huilend meezingt - zijn vrouw hield ervan en is overleden, en nadat hij me vraagt of ik zijn arm vast kan houden zodat hij de beestjes er uit kan slaan (!?), geeft hij me de autosleutels. “Jij moet maar rijden.”
Ik had daarvoor nog aan de bareigenaar gevraagd of er out there echt jaguars zijn (ja) en of ik eventueel ook hier op zijn veranda mocht slapen (ja), maar absurd genoeg heb ik niet lang daarvoor in de nachtbus de film Yes Man gekeken - zeg ja tegen dingen en je weet nooit wat er je overkomt. Dus, fuck it, ik ga op Bin Ladens aanbod in en we stappen in zijn Fiat Mille.
Het dorp waar ik die middag doorheen liep is totaal niet ver, ik rij erheen met 50 per uur. Maar Bin Laden gilt het uit! "Tem que ir devagaaaar!!” Je moet laaaangzaam gaan! Zijn remmen zijn verschrikkelijk, je moet het pedaal helemaal induwen om een beetje te remmen, dus ik ga langzaam. Er is geen enkele andere auto op de weg, alleen een enkele brommer. Bij het tankstation moeten we stoppen van Bin Laden - hij wil rijden, stapt stommelend uit de auto. Maar er is een limiet aan Yes Man-ing - ik vertel hem streng: luister vriend, of ik rijd of ik pak m’n tas uit de kofferbak en uit en hang lekker hier m’n hangmat op (in het Portuguees). “Oke, oke, maar devagarzinho!” (In het Portugees kan je achter elk woord -(z)inho zetten om het te verkleinen, devagar/langzaam wordt dan iets als devagarzinho/langzaampjes”).
In het centrum stoppen we voor zijn huis, hij haalt van onder zijn kleren een sleutel aan een touwtje vandaan en maakt zijn poort open. Daarachter is een soort grote binnentuin waar ik de Fiat in rijd. Ondertussen komt zijn buurman naar buiten, hij woont in een redelijk normale Braziliaanse dorpsstraat. Bin Laden is trots me te leren kennen, en introduceert me “ele vem de holanda, quer pedir carona!" (Hij komt uit Nederland en wil liften!). Ik denk niet dat Bin Laden mijn naam weet, hij noemt me altijd Doctor! Doctor!. Nu zegt hij Doctor! Doctor!, praat even met mijn buurman, en hij verzekert hem dat ik goed “Braziliaans" kan.

Daarna krijg ik de huistour. Ik kon er toen al gelijk om lachen, en achteraf ook wel, maar het was precies zoals ik gevreesd had. Aan een touwtje tussen de balken hangen verschrompelde bananen, overal staat vieze vaat op de houten vloer, ergens liggen lege cachaca flessen, lege eierdozen op de grond. In de achterkamer staat een bed met matras zonder beddengoed, via een doorgang kom je bij nog een kamer met een matras op de grond. Daarop kan jij slapen, zegt hij. Er hangt ook een hangmat - ik slaap daar wel in zeg ik tegen hem. "Nou oké... waar jij wil dokter! Cerveza?” En ik laat mijn spullen achter en we gaan weer op stap.
Op de straathoek is een bar waar ik in mijn eentje nooit heen had gedurfd, elke stoer uitziende jonge Braziliaan is daar. Ze spelen pool en kaarten, en drinken bier en roken. Ik praat weer met de bareigenaar.. de rest van de jongens laten mij en Bin Laden koeltjes met rust. Bin Laden is ontzettend vriendelijk, hij praat met een schorre stem, en is een beetje gek maar niet volledig ontoerekeningsvatbaar. Ik vraag de bareigenaar naar hem - ik wil hem beter begrijpen. Hij werkt inderdaad als dagloner in een goudmijn, zijn geld lijkt hij allemaal aan alcohol uit te geven. Vroeger woonde hij met zijn vrouw in het huis (dat toen waarschijnlijk heel mooi was), nu lijkt hij daar zelf nog in te overleven. Ik heb medelijden met hem, maar probeer, zoals ik dat tijdens mijn hele reis in elke cultuur en persoon heb gedaan, hem als gelijke te behandelen en hem serieuze vragen te stellen en we lachen samen. Nog meer bier volgt, ik kijk naar de dorpsmannen die extreem goed zijn in biljart.

Zwenkend door de straat komt een bejaarde man aangelopen, Bin Laden springt op. O meu amigo! Roept hij naar mij, Mijn vriend! - En hij rent naar de man toe en knuffelt hem stevig. De man heeft geen tanden, en bijna altijd een sigaret in zijn mond. Hij slaapt vanavond ook bij ons verkondigd Bin Laden blij. Samen lopen we naar huis, minuten lang zwoegen mijn oude vrienden met de sleutel van het hangslot om de poort, ik besluit het voor ze te doen en neem met zachte aanmoediging de sleutel over van Bin Laden.
Dit blijkt per direct het einde van de avond. Bin Laden loopt zijn huis in, zet zijn TVtje (nog een dikke ouderwetse) aan en ploft voorover op zijn matras en valt in slaap. De andere oude man geef ik mijn sigaretten, enkel in een verveelde opwelling gekocht toen ik uren daarvoor in de zon begon te liften. Ik trek me terug in mijn hangmat, door de dichtgetimmerde ramen een beetje licht van de lantaarnpaal en uit Bin Laden’s kamer het geluid van de TV. Ik schrijf snel zo veel mogelijk van die dag op, al mijn kleren nog aan en val met mijn boekje op schoot in slaap, geholpen door de vele biertjes.
Om middernacht word ik wakker - de TV raast nog steeds en ik moet plassen. Bij nadere inspectie kies ik voor de tuin in plaats van de badkamer, en zet op de terugweg de TV uit. Bin Laden ligt nog in dezelfde positie, zijn oude vriend is nergens te bekennen, de poort staat open. Net als dat je als kind achterin de auto wakker wordt wanneer de motor uit gaat wordt Bin Laden wakker van het abrupte wegvallen van de TV. Hij staat op:
“Doctor! Doctor!” Begroet hij me blij. Verschrikt ziet hij dat de poort open staat en gaat hem dichtdoen. Ik zeg hem boa noite en ga terug naar mijn hangmat. Een paar minuten later staat Bin Laden bij mijn hangmat, fles cachaca in de hand (dat is Braziliaanse rum van suikerriet). Hij neemt gulzige slokken. Wil je ook wat?
Maar mijn roes is voorbij, mijn verdieping in alle levens om me heen op pauze, nu wil ik gewoon slapen. Nee bedankt Bin Laden, het is laat, morgenvroeg ga ik liften. Het horen over liften schud hem wakker en hij valt terug op zijn uitspraken.
“Carona! Não vai!! Ohhhh…!! A onça tem fome!” Zegt hij met zijn lachende klagende stem.
Nu gaat hij liggen op het matras bij mijn voeteneind, fles in de hand. Hij blijft tegen me praten, ik word nu streng: ik wil slapen, het is midden in de nacht. Oké oké doctor!
Ik val in slaap at last, mijn wekker zet ik om 6 uur, voor de zonsopkomst. Bin Laden hoor ik door de nacht een paar keer wakker worden, iets tegen me zeggen en een slok uit de fles nemen.
Als mijn wekker gaat word hij niet wakker. Ik sta op, twijfel, kijk naar hem op de grond op het matras. Zijn hand nog om de fles ligt hij te slapen. Ik besluit hem niet wakker te maken. Pak m’n spullen en klim over de hek - en lift die dag diep de Pantanal in.
Voor ik vertrek maak ik nog de volgende foto's, omdat ik het anders nu bijna zelf niet meer zou geloven.


Zie linksonder Bin Laden
Achteraf twijfel ik aan mezelf om zomaar weg te gaan, maar ik was klaar met nederige gast zijn en putting up met dronkenschap, stommelend door het huis. Ik wilde jaguars zien die dag, moest kilometers maken en hem wakker maken - om vervolgens tegen hem te praten terwijl hij er maar half bij was... Toch, het voelt als een violation van zijn gastvrijheid. Maar ik liep die ochtend helemaal terug naar de bar en liftte verder, twee dagen later kwam ik terug in de auto van een lodge en stopte even om aan de bareigenaar te vertellen dat ik oké ben, en of hij dat alsjeblieft aan Bin Laden kan vertellen.
Dit was een van mijn eerste avonden terug in Brazilië, nadat ik er in 2019 op uitwisseling was. En deze avond was precies waarom ik van liften houdt, van reizen houdt: een vluchtige kijk in iemands leven en er even aan deelnemen. Bin Laden, ik kan niks voor hem betekenen, behalve zijn drinking buddy zijn voor een avond. Hij fascineert me, omdat iedereen hem kende, tolereerde, maar niks gáf in interactie - als de dorpsgek. En ik heb medelijden met hem, hoe de drank zijn leven heeft overgenomen - ik vroeg me af hoe hij ooit een baan kon hebben - de enige optie is dat hij die ochtend niet zou stoppen met drinken. En zijn huis, als ik het had gehad had ik het prachtig gemaakt - met de tropische tuin ernaast, de oude open doorgangen. Moeite met mijn eigen positie hier vinden. Normaal verzorgd iemand mij als gast, moeten zij eerder hun limieten aangeven (hoe lang mag ik blijven, mag ik douchen, mag ik wat eten?) dan andersom bij Bin Laden. Maar ik waardeerde hem en wilde hem met respect blijven behandelen. Heel veel lessen zijn er misschien ook niet uit te trekken, simpelweg een speciale ervaring op zomaar een plek tijdens mijn reis - en wat voor gekke dingen Yes Man je kan brengen.
